Uitspraak
.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1941 uit een gemengd huwelijk met een Joodse moeder, verzocht meerdere malen om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze verzoeken werden telkens afgewezen omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij vervolgingsmaatregelen had ondergaan of dat hij zich in een onderduiksituatie bevond.
In het herzieningsverzoek en het bezwaar herhaalde appellant grotendeels eerdere argumenten zonder nieuwe feiten aan te voeren. De Raad constateerde dat de omstandigheden waaronder appellant de oorlogsjaren doorbracht niet duidelijk ongunstiger waren dan die van andere kinderen uit gemengde huwelijken, en dat geen sprake was van een onderduiksituatie zoals bedoeld in de Wuv of Wubo.
De Raad oordeelde dat de bestreden besluiten terecht in stand bleven en wees het beroep af. Er was geen aanleiding om appellant met vervolgden gelijk te stellen of om andere oorlogsgebeurtenissen onder de Wubo aan te nemen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wuv- en Wubo-aanvragen wordt gehandhaafd.