1.4.Bij besluit van 13 april 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 17 november 2017 en 6 december 2017 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is – kort samengevat – het volgende overwogen. Omdat appellante niet officieel stond ingeschreven had zij geen aanspraak op studiefinanciering, waaronder een reisproduct. De gang van zaken omtrent de inschrijving is iets tussen appellante en de onderwijsinstelling. Er is voorts geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) dan wel van een situatie op grond waarvan de minister met toepassing van de hardheidsclausule had moeten afwijken van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000. Het feit dat appellante zich niet bewust heeft uitgeschreven maakt de situatie niet zeer bijzonder ten opzichte van de gevallen waarin de studie wel bewust is stopgezet. Het is de verantwoordelijkheid van appellante om zich voldoende te informeren en zij had navraag bij de minister kunnen doen over haar situatie. Indien zij door haar gezondheidssituatie niet dan wel onvoldoende in staat was om haar belangen te behartigen, had het op haar weg gelegen daartoe een derde in te schakelen. Ten slotte is overwogen dat de OV-schuld ingevolge het bepaalde in artikel 6.17, derde lid, van de Wsf 2000 niet wordt omgezet in een lening.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft primair aangevoerd dat ten onrechte een OV-schuld is vastgesteld omdat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct appellante niet kan worden toegerekend dan wel omdat artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 met toepassing van de hardheidsclausule buiten toepassing had moeten worden gelaten. In dit verband is gesteld dat appellante niet is uitgeschreven maar zij vanaf 1 september 2017 niet opnieuw is ingeschreven. Volgens appellante is artikel 3.27 van de Wsf 2000 geschreven voor de situatie dat de studerende is gestopt met zijn studie maar niet voor de situatie dat de inschrijving niet tot stand is gekomen. Omdat de wetgever de situatie dat de inschrijving niet tot stand is gekomen niet heeft voorzien, is toepassing van de hardheidsclausule aangewezen. Verder is gesteld dat appellante al het mogelijke heeft gedaan wat van haar verwacht mocht worden, zeker gezien haar gezondheidssituatie. De onderwijsinstelling, die net als DUO onder het ministerie valt, heeft appellante in de e-mail van 5 oktober 2017 niet geadviseerd om het reisproduct stop te zetten. Subsidiair is aangevoerd dat waar de minister de te veel betaalde studiefinanciering, nadat niet aan het betalingsverzoek was voldaan, heeft opgeteld bij de lening dat ook met de ov-schuld had kunnen en moeten geschieden.
4. De Raad oordeelt als volgt.