ECLI:NL:CRVB:2020:98
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over medische grondslag en arbeidsongeschiktheid bij WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als begeleidster wonen, meldde zich ziek na een val en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze per 25 juli 2016 toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellante voerde aan dat haar beperkingen, waaronder cognitieve tekorten en een urenbeperking, al eerder bestonden dan het UWV aannam.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat de beperkingen die per 24 juli 2017 waren vastgesteld niet ook al per 25 juli 2016 golden. Medische rapporten van verzekeringsarts Offermans en neuropsychologisch onderzoek wezen erop dat de beperkingen reeds op die datum aanwezig waren.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke medische grondslag berustte en derhalve strijdig was met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd het UWV opgedragen binnen zes weken het besluit te herstellen door de Functionele Mogelijkhedenlijst aan te passen en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken het besluit te herstellen wegens onvoldoende medische grondslag.