ECLI:NL:CRVB:2020:972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Ziektewet-uitkering en terugvordering onverschuldigde betalingen bevestigd
Appellante meldde zich met terugwerkende kracht ziek per 15 juni 2016 en ontving op voorschotbasis een Ziektewet-uitkering van het UWV. Later stelde het UWV vast dat appellante geen recht had op de uitkering over die periode en vorderde het onverschuldigd betaalde voorschotbedrag van €6.300,40 terug.
Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering, maar dit werd door het UWV en de rechtbank ongegrond verklaard. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, met name dat uit de betaalspecificaties niet bleek dat het om voorschotbetalingen ging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het voorschot terugvordert, omdat geen dringende redenen zijn om hiervan af te zien. De Raad verwees naar vaste rechtspraak dat alleen uitzonderlijke situaties tot kwijtschelding kunnen leiden. Appellante had bovendien een betalingsregeling getroffen en de vordering inmiddels volledig voldaan.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en terugvordering van onverschuldigde ZW-uitkering bevestigd.