Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf aan alleen met haar zoontje te wonen. Het college van burgemeester en wethouders van Veendam trok de bijstand in op basis van de veronderstelling dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner X, mede omdat zij samen een kind hebben. De rechtbank stelde het college deels in het gelijk, maar vernietigde het besluit voor de periode tot 22 november 2015.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college onvoldoende feiten heeft verzameld om vast te stellen dat X zijn hoofdverblijf bij appellante had. De enkele aanwezigheid van kleding en administratie van X in de woning, en zijn verklaring dat hij haar ondersteunt, zijn onvoldoende om het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het adres van appellante aan te nemen.
De Raad vernietigt daarom het besluit van 14 december 2015 en kent appellante bijstand toe vanaf 29 oktober 2015 als alleenstaande ouder. Tevens wordt het besluit van 8 september 2017 vernietigd en het college veroordeeld in de kosten van appellante.