ECLI:NL:CRVB:2020:894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als verkoopmedewerker, meldde zich ziek met knieklachten en heeft fibromyalgie, reuma en migraine. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van januari 2016 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch oordeel van het UWV niet onjuist was bevonden. Rapporten van een verzekeringsarts namens appellante werden onvoldoende onderbouwd geacht, mede omdat deze arts alleen dossieronderzoek en telefonisch contact had verricht.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen groter waren dan aangenomen, met name door fibromyalgie en zwangerschap. Het UWV verwees naar aanvullende rapporten die het eerdere oordeel bevestigden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch oordeel van het UWV juist en voldoende gemotiveerd was, dat de beperkingen van appellante niet objectief waren onderbouwd en dat de zwangerschap tijdens het rapport van Offermans niet representatief was. De Raad bevestigde daarom de weigering van de WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.