ECLI:NL:CRVB:2020:893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens rechtmatige WIA-besluiten en geen onrechtmatig handelen UWV
Appellant, een schilder, meldde zich op 8 augustus 2005 ziek en kreeg aanvankelijk geen WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was vastgesteld. Na een verslechtering van zijn medische situatie werd hem per 1 juli 2008 alsnog een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant maakte geen bezwaar tegen de besluiten van 2007 en 2009.
In 2013 stelde appellant het UWV aansprakelijk voor schade door de late uitbetaling van de WIA-uitkering en het ontbreken van begeleiding toen hij als zelfstandige aan het werk ging. Het UWV wees het verzoek om schadevergoeding af wegens het ontbreken van onrechtmatigheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de besluiten formele rechtskracht hebben.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat het verzoek om schadevergoeding gebaseerd is op feiten van voor 1 juli 2013 en dat het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht van toepassing is. Het nalaten van begeleiding is een feitelijke handeling en valt buiten de bestuursrechtelijke toetsing. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.