ECLI:NL:CRVB:2020:866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering pgb wegens niet-naleving administratieve verplichtingen
Appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode januari tot augustus 2014. Het zorgkantoor stelde het pgb later op nihil vast en vorderde de voorschotten terug omdat appellant niet voldeed aan de administratieve verplichtingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor niet verplicht was de bewindvoerder te benaderen, aangezien appellant noch de bewindvoerder het zorgkantoor hierover had geïnformeerd.
In hoger beroep stelde appellant dat het zorgkantoor wel bekend was met het bewind en dat hij het pgb volledig aan zorg had besteed. De Raad oordeelde dat het zorgkantoor terecht niet op bewindvoering was uitgegaan en dat de administratie niet voldeed aan de eisen van de Regeling subsidies AWBZ. Er ontbraken onder meer declaraties en betalingen waren vooruit gedaan zonder duidelijke specificatie van de zorg.
De Raad bevestigde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en de voorschotten terug te vorderen, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt welke zorg daadwerkelijk was geleverd en betaald. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het zorgkantoor bevestigd.