ECLI:NL:CRVB:2020:848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor functie perronmedewerker
Appellant was werkzaam als allround field engineer en meldde zich in 2012 ziek. Na een WIA-beoordeling werd hij in 2014 als minder dan 35% arbeidsongeschikt beoordeeld en werd hem een WIA-uitkering geweigerd. In 2017 meldde appellant zich opnieuw ziek en ontving een Ziektewet-uitkering. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd hij per 25 september 2017 geschikt bevonden voor de functie van perronmedewerker, waarop het UWV de ZW-uitkering beëindigde.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat hij door fysieke en psychische klachten, waaronder autisme-spectrumstoornis Asperger, niet in staat was de functie te vervullen. Hij verwees naar medische rapporten, medicatiegebruik en opname in een revalidatiecentrum na een herseninfarct. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar leverde geen nieuwe medische informatie die het oordeel van de verzekeringsarts ter discussie stelde. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere overwegingen en concludeerde dat appellant geschikt is voor de functie perronmedewerker, waardoor de beëindiging van de ZW-uitkering terecht is. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering omdat appellant geschikt is voor de functie van perronmedewerker.