ECLI:NL:CRVB:2020:847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor fulltime werk bevestigd
Appellante meldde zich in 2013 ziek en ontving aanvankelijk een Ziektewet-uitkering die in 2014 werd beëindigd. Na een hernieuwde ziekmelding in 2015 en een voorschot op de ZW-uitkering stelde het UWV vast dat zij niet arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. De rechtbank oordeelde dat appellante geschikt was voor een volledige werkweek, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundige expertise en een deskundigenrapport.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege psychische klachten en energietekort niet fulltime kon werken en dat er onvoldoende rekening was gehouden met haar fysieke klachten. De Raad volgde deze stellingen niet omdat er geen medische onderbouwing was voor een urenbeperking en de fysieke klachten als houdings- en spanningsproblemen waren beoordeeld.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak dat appellante geschikt is voor ten minste één passende functie zonder urenbeperking, waardoor de beëindiging van de ZW-uitkering terecht is. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt is voor fulltime werk en de ZW-uitkering terecht is beëindigd.