ECLI:NL:CRVB:2020:840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als postbode, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding in maart 2015. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. Zowel het bezwaar bij het UWV als het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij wel degelijk meer beperkingen had op de datum van 21 maart 2017. Hij stelde dat de verklaring van zijn bedrijfsarts, die hem in juli 2017 onderzocht, ten onrechte niet was meegewogen. De Raad oordeelde echter dat deze verklaring een actueel oordeel betrof en niet onderbouwd was met medische stukken die relevant waren voor de datum in geschil.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank in haar oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige zorgvuldig en voldoende gemotiveerd waren. Het UWV had terecht vastgesteld dat appellant met zijn beperkingen in de geselecteerde voorbeeldfuncties kon werken en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.