ECLI:NL:CRVB:2020:820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid in hoger beroep WIA-uitkering
Appellant, werkzaam als projectmanager, was sinds november 2009 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. Na melding van verslechtering van zijn gezondheid in 2014, onderging appellant een herbeoordeling waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 77,86% met volledige arbeidsongeschiktheid gedurende een periode in 2015. Het UWV handhaafde aanvankelijk het besluit, maar verklaarde bezwaar gegrond en paste de mate van arbeidsongeschiktheid aan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend. Appellant ging in hoger beroep en bracht een expertiserapport in, waarop het UWV reageerde met aanvullende rapporten. De Raad heropende het onderzoek en vroeg nadere reacties op medische en arbeidskundige rapporten.
De Raad concludeerde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) correct was aangepast en dat de beperkingen adequaat in kaart waren gebracht. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk ondeugdelijk gemotiveerd was, werd dit gebrek gepasseerd omdat geen benadeling van appellant aannemelijk was. Het besluit werd gehandhaafd, het verzoek tot schadevergoeding afgewezen en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.