Uitspraak
17.6292 WAJONG
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1982, ontvangt sinds 2005 een Wajong-uitkering wegens myasthenia gravis met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Na de inwerkingtreding van de Wajong 2015 heeft het UWV haar arbeidsvermogen opnieuw beoordeeld en vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, wat leidt tot een verlaging van haar uitkering per 2018.
Appellante betwistte deze beoordeling en voerde aan dat haar aandoeningen, waaronder reumatoïde artritis, haar functioneren ernstig beperken. Zij stelde dat zij slechts één activiteit tegelijk kan uitvoeren en na 30 minuten staan of lopen rust nodig heeft, wat niet van een werkgever kan worden verlangd. Tevens wees zij op haar zorg voor twee kinderen.
De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De verzekeringsartsen hielden rekening met haar beperkingen en concludeerden dat zij met een urenbeperking van vier uur per dag, al dan niet verspreid, kan werken. Privéfactoren zoals de zorg voor kinderen mogen niet worden meegewogen. Appellante kon haar stellingen niet onderbouwen met medische stukken.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellante in staat is vier uur per dag te werken.