ECLI:NL:CRVB:2020:80
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar
Appellant, voormalig productiemedewerker, kreeg na het einde van zijn dienstverband een WW-uitkering en meldde zich in 2007 ziek met diverse klachten. Het UWV weigerde in 2009 een WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na meerdere periodes van ziekte en werkhervatting, meldde appellant zich in 2016 opnieuw ziek en verzocht om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid.
Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen toename van beperkingen was binnen vijf jaar na 6 juli 2009, de datum van de eerste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij de verzekeringsartsen concludeerden dat de medische beperkingen voldoende waren meegenomen en dat er geen urenbeperking noodzakelijk was.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt over toegenomen rug- en psychische klachten en slaapproblemen. De Raad oordeelde echter dat de medische rapporten en het MRI-onderzoek geen bewijs leverden voor een toename van de beperkingen binnen de gestelde termijn. De psychische problematiek was volgens de verzekeringsartsen adequaat beoordeeld en de slaapproblemen onvoldoende onderbouwd om een urenbeperking te rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.