ECLI:NL:CRVB:2020:767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering pgb wegens niet-naleving verplichtingen 2013-2014
Appellant ontving voor 2013 en 2014 persoonsgebonden budgetten (pgb) op grond van de AWBZ en de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). Het zorgkantoor stelde bij besluiten het pgb lager vast dan de verleende bedragen en vorderde onverschuldigd betaalde voorschotten terug, omdat appellant niet voldeed aan de aan het pgb verbonden verplichtingen.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Zij oordeelde dat appellant contante betalingen verrichtte aan zorgverleners, geen zorgplan of zorgovereenkomst overlegde, en geen bankafschriften kon overleggen ter onderbouwing van betalingen. Het zorgkantoor was daarom bevoegd het pgb lager vast te stellen en voorschotten terug te vorderen. De belangenafweging was redelijk, ondanks de stelling van appellant over schuldsaneringstrajecten en zorgbehoefte.
In hoger beroep bracht appellant nieuwe stukken in, waaronder een insolventieregister en belastingaangiftes van zorgverleners, maar deze boden geen grond voor een ander oordeel. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb wegens niet-naleving van verplichtingen door appellant.