Uitspraak
/17.5963 PW
mr. A.H.M. Vaessen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 1999 bijstand en werd in 2015 onderzocht wegens vermoedens van niet gemeld verblijf in het buitenland en niet gemelde bankrekening bijschrijvingen. Het college trok de bijstand over een korte periode in vanwege een geschat verblijf van 35 dagen in Hongarije zonder melding, en herzag de bijstand over een langere periode vanwege bijschrijvingen op een niet gemelde en/of-bankrekening.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door het niet melden van het verblijf en de bankrekening. De schatting van het verblijf in Hongarije door het college werd niet betwist met voldoende bewijs en de pintransacties gaven slechts indicatie van aanwezigheid op bepaalde dagen.
Ten aanzien van de bijschrijvingen op de en/of-rekening oordeelde de Raad dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het giften waren; de bedragen waren ter vrije besteding en gebruikt voor kosten die onder de bijstand vallen, zoals achterstallige huur. Daarom mocht het college deze middelen in mindering brengen op de bijstand.
Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en herziening van bijstand wegens niet gemeld verblijf in het buitenland en bijschrijvingen op een bankrekening.