ECLI:NL:CRVB:2020:74
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker tuinderij, meldde zich ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de arbeidsdeskundige de geselecteerde functies overtuigend had beargumenteerd.
Appellant stelde in hoger beroep dat de medische grondslag onvoldoende was gemotiveerd en dat het onderzoek niet zorgvuldig was verricht. Hij overhandigde aanvullende medische stukken en verzocht om benoeming van onafhankelijke deskundigen. Het UWV handhaafde het standpunt dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de aanvullende stukken geen nieuwe relevante informatie bevatten.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De Raad wees het verzoek om onafhankelijke deskundigen af, omdat geen twijfel bestond over de medische en arbeidskundige beoordelingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.