ECLI:NL:CRVB:2020:704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen van alleenstaandennorm naar gehuwdennorm
De appellant voerde vanaf 1 februari 2017 een gezamenlijke huishouding met V, wat hij niet had gemeld aan de Sociale verzekeringsbank (Svb). De Svb herzag daarop het ouderdomspensioen van appellant van de alleenstaandennorm naar de gehuwdennorm. Appellant stelde dat hij vanwege zijn invaliditeit en de zorg die V hem verleent, recht had op de alleenstaandennorm.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de motieven en aard van de onderlinge relatie niet relevant zijn voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het samenwonen op zich leidt tot de gehuwdennorm. Bovendien zijn appellant en V via de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen verzekerd van een inkomen tot het sociaal minimum.
Het hoger beroep van appellant werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen van alleenstaandennorm naar gehuwdennorm is terecht bevestigd.