ECLI:NL:CRVB:2020:695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als inpakster, meldde zich ziek met klachten aan haar linkerhand en rug. Het UWV stelde vast dat zij belastbaar bleef met beperkingen en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen vanaf 15 december 2016 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar rug- en handklachten, waaronder een operatie die in juni 2017 plaatsvond. Ook stelde zij dat de functie medewerker bibliotheek ongeschikt was vanwege reiken en dat de reductiefactor onjuist was toegepast.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De operatie na de peildatum leidde niet tot een andere beoordeling per 15 december 2016. De functie medewerker bibliotheek werd als geschikt beoordeeld en de reductiefactor correct toegepast.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.