ECLI:NL:CRVB:2020:689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugwerkende kracht ANW-uitkering na fout appellante
Appellante vroeg aanvankelijk in 2012 een ANW-uitkering aan, die werd afgewezen omdat haar echtgenoot niet verzekerd was op het moment van overlijden. Dit besluit werd niet aangevochten en werd daarmee rechtens onaantastbaar. In 2015 diende appellante een nieuwe aanvraag in, waarna de Sociale verzekeringsbank (Svb) de uitkering met terugwerkende kracht van één jaar toekende.
Appellante maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de uitkering, stellende dat zij eerder recht had op de uitkering. De rechtbank wees dit bezwaar af en oordeelde dat de terugwerkende kracht terecht beperkt was tot één jaar, mede omdat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist was door een fout van de Svb, maar door een fout van appellante zelf.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de Svb terecht het standpunt innam dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist was door een fout van appellante. De ingangsdatum van de ANW-uitkering werd daarom terecht vastgesteld op één jaar voor de aanvraag van 2015. De ingebrachte getuigenverklaring en stukken konden dit oordeel niet wijzigen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ANW-uitkering terecht met één jaar terugwerkende kracht is toegekend vanaf de aanvraag van 17 maart 2015.