ECLI:NL:CRVB:2020:670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvragen wegens niet aannemelijk maken hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellante ontving sinds 2014 bijstand en stond ingeschreven op een adres te [gemeente]. Na beëindiging van de bijstand wegens niet-medewerking aan een huisbezoek, vroeg zij opnieuw bijstand aan. Het college voerde een onderzoek uit, waarbij een huisbezoek op het opgegeven adres plaatsvond. De woning bleek bijna geheel leeg, niet verlicht en zonder persoonlijke eigendommen van appellante.
Appellante stelde onder schrijnende omstandigheden te wonen op het adres, met inboedel in bruikleen van haar broer die inmiddels was verhuisd. Zij kon niet aantonen dat zij de woning daadwerkelijk als hoofdverblijf gebruikte. Het college wees de aanvragen af omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld zonder aannemelijk bewijs van hoofdverblijf.
De rechtbanken verklaarden de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraken. De Raad oordeelde dat appellante niet voldeed aan haar inlichtingenplicht en onvoldoende objectief bewijs leverde dat zij op het opgegeven adres woonde. De afwijzing van de bijstandaanvragen blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen wegens het niet aannemelijk maken van het hoofdverblijf op het opgegeven adres.