ECLI:NL:CRVB:2020:658

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
12 maart 2020
Zaaknummer
18/3053 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 lid 2 aanhef en onder f ten eerste Participatiewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering belastingteruggave als naderhand verkregen middelen bij bijstand

In deze zaak stond de terugvordering van €561,- centraal, omdat sprake was van naderhand in aanmerking te nemen middelen zoals bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (PW). Appellant had een belastingteruggave ontvangen die door het college als inkomen werd aangemerkt en leidde tot terugvordering.

Appellant stelde dat hij de teruggave steeds keurig had gemeld en niet wist dat hij deze moest melden. De Raad oordeelde echter dat kennis of een schending van de inlichtingenverplichting niet vereist is om terugvordering toe te passen. Het gaat om het feit dat onverschuldigd bijstand is verleend terwijl appellant naderhand over middelen beschikte die betrekking hadden op de periode van bijstandsverlening.

Verder wees de Raad het verweer van appellant af dat het college had moeten constateren dat er te veel loonbelasting werd geheven. Het college heeft geen verplichting om loonstroken te onderzoeken op correctheid van belastingheffing. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant werd daarom bevestigd en een kostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college bevoegd was tot terugvordering van de belastingteruggave en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

18.3053 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 10 maart 2020
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 mei 2018, 17/2982 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk (college)
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: L.R. Daman
Namens appellant is verschenen mr. C.J. Driessen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.C. Hendriks.

BESLISSING

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de terugvordering van € 561,- omdat sprake is van naderhand in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste van de Participatiewet (PW). Appellant heeft een belastingteruggave ontvangen die het college als inkomen in aanmerking heeft genomen.
Niet in geschil is dat sprake is van naderhand verkregen in aanmerking te nemen middelen die betrekking hebben op de periode waarover bijstand is verleend. Appellant voert echter aan dat hij steeds alles keurig heeft gemeld en niet wist dat hij de belastingteruggave moest melden. Die wetenschap, of een schending van de inlichtingenverplichting, is echter niet nodig om op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW tot terugvordering over te kunnen gaan. Niet relevant is of appellant een verwijt kan worden gemaakt. Het gaat erom dat onverschuldigd bijstand is betaald omdat appellant naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen kan beschikken. Dat is het geval, zodat het college bevoegd was terug te vorderen.
Het college heeft in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Dat is niet anders omdat, zoals appellant stelt, het college zelf had kunnen en moeten constateren dat er maandelijks teveel loonbelasting werd geheven, wat ertoe heeft geleid dat bij appellant de indruk ontstond dat hij daadwerkelijk over de nabetaling kon en mocht beschikken zonder dat hij dat hoefde te melden. Op het college rust, anders dan appellant stelt, geen verplichting om de loonstroken te onderzoeken om te bezien of de belastingheffing al dan niet correct heeft plaatsgevonden.
De gronden in hoger beroep slagen dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) L.R. Daman (getekend) P.W. van Straalen