ECLI:NL:CRVB:2020:658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering belastingteruggave als naderhand verkregen middelen bij bijstand
In deze zaak stond de terugvordering van €561,- centraal, omdat sprake was van naderhand in aanmerking te nemen middelen zoals bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (PW). Appellant had een belastingteruggave ontvangen die door het college als inkomen werd aangemerkt en leidde tot terugvordering.
Appellant stelde dat hij de teruggave steeds keurig had gemeld en niet wist dat hij deze moest melden. De Raad oordeelde echter dat kennis of een schending van de inlichtingenverplichting niet vereist is om terugvordering toe te passen. Het gaat om het feit dat onverschuldigd bijstand is verleend terwijl appellant naderhand over middelen beschikte die betrekking hadden op de periode van bijstandsverlening.
Verder wees de Raad het verweer van appellant af dat het college had moeten constateren dat er te veel loonbelasting werd geheven. Het college heeft geen verplichting om loonstroken te onderzoeken op correctheid van belastingheffing. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant werd daarom bevestigd en een kostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college bevoegd was tot terugvordering van de belastingteruggave en wijst het hoger beroep af.