ECLI:NL:CRVB:2020:646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herbeoordeling WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, voormalig restauratiestukadoor, meldde zich ziek vanwege rugklachten en ontving vanaf 2014 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2016 concludeerden verzekeringsartsen dat appellant lichte werkzaamheden kon verrichten, maar niet zijn eigen werk. De arbeidsdeskundige stelde een arbeidsongeschiktheid van circa 25-27% vast op basis van drie voorbeeldfuncties.
Het Uwv besloot per 22 december 2016 de WIA-uitkering te beëindigen. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij niet 40 uur per week kon werken en verwees naar een rapport van de Landelijke Expertisebalie dat meer beperkingen constateerde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaafde de eerdere beoordeling en paste de FML licht aan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geschikt was voor de voorbeeldfuncties. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, onderbouwd door een gedegen reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport van de Landelijke Expertisebalie.
De Raad vond geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie of zwaardere beperkingen en volgde de rechtbank in het oordeel dat appellant de voorbeeldfuncties medisch gezien kan vervullen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een WIA-uitkering per 22 december 2016.