ECLI:NL:CRVB:2020:61
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstand en bedrijfskapitaal wegens niet-levensvatbaar bedrijf
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg op 5 augustus 2015 bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor algemene kosten en bedrijfskapitaal. Hij diende twee ondernemingsplannen in voor de ontwikkeling en marktintroductie van een warmte-/koude-pomp gebaseerd op het Stirlingmotor-principe.
Het college vroeg advies aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK), dat concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar was vanwege gebrek aan ervaring, marktonderzoek, netwerk en financiële onderbouwing. Appellant reageerde uitvoerig, maar het IMK handhaafde het negatieve advies. Het college wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het ondernemingsplan onvoldoende objectieve gegevens bevatte om de levensvatbaarheid aan te tonen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, oordeelde dat het advies zorgvuldig tot stand was gekomen en dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde die het oordeel konden wijzigen. Het beroep op een hardheidsclausule faalde eveneens.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek tot vergoeding van schade werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijstand en bedrijfskapitaal wordt bevestigd.