ECLI:NL:CRVB:2020:583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning loongerelateerde WGA-uitkering na beoordeling cardiale beperkingen
Appellant, voormalig keukenmonteur, meldde zich ziek na een hartinfarct en vroeg meerdere keren een WIA-uitkering aan. Het UWV besloot aanvankelijk dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar na een nieuwe aanvraag werd hem een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend wegens 62,32% arbeidsongeschiktheid per 3 februari 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies medisch geschikt. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn medische situatie verslechterd was, onderbouwd met een brief van zijn cardioloog.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts had een gedegen onderzoek verricht en rekening gehouden met de cardiale beperkingen en vermoeidheidsklachten van appellant. De medische beperkingen waren adequaat vastgesteld en de functies passend. De brief over latere verslechtering leidde niet tot een ander oordeel, omdat alleen de situatie per 3 februari 2015 relevant was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige of toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering per 3 februari 2015 bevestigd.