ECLI:NL:CRVB:2020:580

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2020
Publicatiedatum
5 maart 2020
Zaaknummer
18/762 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellant was werkzaam als medewerker groepsdetachering en meldde zich in september 2011 ziek met diverse fysieke klachten. Het UWV kende hem in april 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%. Appellant betwistte dit en achtte zichzelf volledig arbeidsongeschikt. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35% en besloot de uitkering te beëindigen per 10 november 2016.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsvond. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen en dat appellant op basis van resterende functies 93,61% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het WSW-indicatierapport uit 2009 niet relevant was voor de WIA-beoordeling.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn gronden, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en het UWV. De Raad bevestigde dat de arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op minder dan 35% en dat de beëindiging van de WGA-uitkering rechtmatig was. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

Uitspraak

18.762 WIA

Datum uitspraak: 5 maart 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017, 17/3398 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker groepsdetachering voor 36 uur per week. Op 19 september 2011 heeft hij zich ziek gemeld met diverse fysieke klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 4 april 2014 aan appellant met ingang van 10 oktober 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 35 tot 80%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend omdat hij zich volledig arbeidsongeschikt achtte. Bij beslissing op bezwaar van 15 december 2014 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op minder dan 35%. Voorts heeft het Uwv appellant meegedeeld dat deze beslissing op bezwaar geen gevolgen heeft voor zijn uitkering omdat deze in het primaire besluit al tot 10 november 2016 is toegekend. Appellant moet er rekening mee houden dat, bij ongewijzigde omstandigheden, hij per 10 november 2016 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering. Appellant zal daar nog een afzonderlijke, voor bezwaar vatbare, beslissing over ontvangen. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 april 2014 ongegrond verklaard.
1.2.
Bij besluit van 22 augustus 2016 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij vanaf 10 november 2016 geen WIA-uitkering meer ontvangt omdat zijn loongerelateerde WGA‑uitkering tot en met 9 november 2016 duurt. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Omdat aan het besluit van 22 augustus 2016 geen medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegen is appellant alsnog uitgenodigd voor het spreekuur van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat er, gezien de onderzoeksbevindingen en de ontvangen informatie van de behandelend internist, geen reden is om de Functionele Mogelijkhedenlijst van 1 september 2014 te wijzigen. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens, rekening houdende met de in bezwaar aangevoerde gronden, ingediende medische gegevens en bevindingen bij hoorzitting, geoordeeld dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Tevens heeft deze arts geoordeeld dat een WSW-indicatie uit 2009 geen reden is om te concluderen dat appellant arbeidsongeschikt moet worden geacht in het kader van de WIA. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geoordeeld dat een van de eerder geselecteerde functies moet vervallen omdat deze functie niet actueel is, maar dat appellant op basis van de drie resterende functies 93,61% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2016 heeft het Uwv bij besluit van 26 april 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het medisch onderzoek in de bezwaarfase zorgvuldig is geweest en dat het onderzoek de getrokken conclusie kan dragen. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat appellant door zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onderzocht, beide artsen de beschikking hadden over het medisch dossier van appellant en de verzekeringsarts bezwaar en beroep recente informatie van de behandelend sector heeft meegewogen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat appellant eerder een indicatie heeft gekregen voor WSW-arbeid niet betekent dat appellant in het kader van de Wet WIA (meer) arbeidsongeschikt moet worden geacht. Het WSW-indicatierapport uit 2009 is wel inhoudelijk beoordeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, maar levert geen nieuwe medische informatie op. Over de beroepsgrond van appellant dat zijn medische situatie vanaf 2016 is verslechterd heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat de door appellant ervaren toegenomen klachten bij de beoordeling in aanmerking zijn genomen, maar dat de verzekeringsarts geen aanleiding heeft gezien toegenomen beperkingen aan te nemen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien dit oordeel van deze arts voor onjuist te houden, waarbij de rechtbank mede heeft overwogen dat ook in beroep met betrekking tot de geclaimde verslechterde medische situatie geen (nieuwe) medische stukken in het geding zijn gebracht. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte functies heeft geselecteerd die appellant door zijn vastgestelde beperkingen niet zou kunnen verrichten. De beroepsgronden van appellant slagen niet.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant inhoudelijk dezelfde gronden als in beroep aangevoerd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 10 november 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en daarom de WGA-uitkering van appellant heeft beëindigd.
4.3.
Het namens appellant in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van zijn beroepsgronden. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.
4.4.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2020.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) E.D. de Jong