ECLI:NL:CRVB:2020:575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant was sinds mei 2011 arbeidsongeschikt door burn-out en klachten aan de linkerarm en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering tot oktober 2014. Het UWV beëindigde de uitkering per 12 oktober 2014 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen ernstiger waren, onderbouwd met een multidisciplinair medisch onderzoek.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast moest worden vanwege rugklachten, en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelde dat twee voorbeeldfuncties ongeschikt waren, resulterend in een arbeidsongeschiktheid van 15,56%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en appellant onvoldoende onderbouwing gaf.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn rugklachten en de aard van zijn werkzaamheden hem verhinderen de functies uit te oefenen. De Raad oordeelde dat het UWV de medische en arbeidskundige gegevens juist heeft beoordeeld, dat de beperkingen adequaat zijn meegenomen en dat de functies medisch geschikt zijn. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.