ECLI:NL:CRVB:2020:567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening Wmo 2015 wegens onvoldoende medewerking appellant
Appellant ontving een persoonsgebonden budget voor begeleiding op grond van de AWBZ, dat zonder nader onderzoek werd voortgezet na invoering van de Wmo 2015. Het college wees de aanvraag van appellant voor een maatwerkvoorziening af omdat appellant onvoldoende meewerkte aan het noodzakelijke onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk medewerking had verleend, onder meer door zijn aanwezigheid bij het gesprek met het sociaal team. De Raad oordeelde echter dat het gesprek niet tot de benodigde informatieoverdracht had geleid en dat appellant niet had gereageerd op verzoeken om aanvullende informatie. Er waren geen omstandigheden die medewerking onmogelijk maakten.
De Raad concludeerde dat het college had voldaan aan zijn onderzoeksplicht, terwijl appellant niet aan zijn medewerkingsplicht had voldaan. Hierdoor kon het recht op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld en mocht het college de aanvraag afwijzen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 wordt afgewezen vanwege onvoldoende medewerking van appellant.