ECLI:NL:CRVB:2020:563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding op AOW-pensioen bij derdenbeslag ondanks bezwaar appellant
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarbij een bedrag van €267,31 per maand werd ingehouden op zijn AOW-pensioen vanwege een derdenbeslag van een deurwaarder voor een schuld aan een zorgverzekeraar. De Svb hield rekening met de beslagvrije voet zoals opgegeven door de deurwaarder.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de Svb bij de inhouding uit moet gaan van de geldigheid van het beslag en de juistheid van de beslagvrije voet. De bestuursrechter kan niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of de hoogte van de beslagvrije voet.
Appellant stelde dat de Svb een zorgvuldige belangenafweging had moeten maken en dat het onredelijk was te moeten wachten op de burgerlijke rechter. De Svb stelde dat zij gehouden was volledige medewerking te verlenen aan het beslag zonder de geldigheid ervan te beoordelen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de vaste rechtspraak dat de geldigheid van het beslag niet door de bestuursrechter beoordeeld kan worden en dat de Svb binnen de grenzen van het beslag is gebleven. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de inhouding op het pensioen geacht rechtmatig.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Svb terecht inhoudingen toepast binnen de beslagvrije voet en dat de bestuursrechter de geldigheid van het beslag niet mag toetsen.