Uitspraak
16.7 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte van maart 2012 tot mei 2014 in Groot-Brittannië naast zijn studie, maar verdiende te weinig om verzekerd te zijn voor het Britse ouderdomspensioen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) achtte hem daarom niet verzekerd voor de AOW over deze periode. De rechtbank vernietigde het bezwaar van appellant wegens procedurele tekortkomingen, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep stelde appellant dat hij slechts werkte om zijn studie te bekostigen en dat hij daardoor niet verzekerd zou moeten zijn voor de AOW. De Raad overwoog dat op grond van EU-verordening 883/2004 slechts één lidstaat wetgeving mag toepassen. Omdat appellant uitsluitend in Groot-Brittannië werkte, was hij daar onderworpen aan de sociale zekerheidswetgeving, ook al leidde dit niet tot pensioenopbouw.
De Raad verwees naar eerdere arresten van de Hoge Raad en het Hof van Justitie van de EU die bevestigen dat het recht op vrij verkeer van werknemers niet leidt tot verzekering voor de AOW als de toepasselijke buitenlandse wetgeving dit niet voorziet. Een mogelijke toepassing van artikel 16 van Pro Vo 883/2004 verandert hier niets aan. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet verzekerd was voor de AOW over de periode van werkzaamheden in Groot-Brittannië.