ECLI:NL:CRVB:2020:530
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor torische implantlenzen wegens voorliggende voorziening Zvw
Appellante vroeg bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een torische implantlens van €700,- die bij een oogoperatie wordt ingebracht. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening geldt en de kosten voor de torische lens niet worden vergoed, waardoor deze als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep voerde appellante aan dat de operatie medisch noodzakelijk is en dat de zorgverzekeraar wel de operatie vergoedt, maar niet de torische implantlens. Zij stelde dat deze lens noodzakelijk is vanwege haar cilindrische afwijking en dat bijzondere bijstand daarom terecht zou moeten worden toegekend.
De Raad oordeelde dat de Zvw en de daarop gebaseerde regelgeving als passende en toereikende voorliggende voorziening gelden volgens artikel 15 van Pro de Participatiewet. De keuze om de kosten van de torische lens niet te vergoeden is een bewuste beleidskeuze binnen de Zvw. Het belang dat appellante hecht aan de torische lens kan niet leiden tot toekenning van bijzondere bijstand. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.