ECLI:NL:CRVB:2020:505
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende beperkingen
Appellant, werkzaam als procesoperator, meldde zich in oktober 2012 arbeidsongeschikt vanwege duizeligheid en andere klachten. Het UWV stelde in juni 2015 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het UWV volgens een deskundige terecht geen uitkering toekende.
In hoger beroep betwist appellant deze beoordeling, met name de afwezigheid van een urenbeperking en de erkenning van astmagerelateerde beperkingen. Hij verwees naar een latere beoordeling in 2017 waarin wel beperkingen werden vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat uit de medische stukken geen aanwijzingen voor beperkingen per datum in geding naar voren kwamen en dat de deskundige van de rechtbank terecht geen urenbeperking noodzakelijk achtte.
Ook werd geoordeeld dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidspercentage is gebaseerd medisch geschikt waren voor appellant. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige of om nadere toelichting te vragen aan de reeds ingeschakelde deskundige. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.