ECLI:NL:CRVB:2020:432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nabetaling bijstand en schadevergoeding na onrechtmatige intrekking
Appellant ontving vanaf 2008 bijstand als alleenstaande ouder, maar het college trok deze bijstand in 2012 onterecht in wegens schending van de inlichtingenplicht. De Raad vernietigde deze intrekking in 2015 en bepaalde dat het college de bijstand moest nabetalen. Het college stelde de nabetaling vast op basis van de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant, waarbij vanaf 31 januari 2014 de kinderen niet meer bij appellant woonden en vanaf juli 2014 geen woonkosten meer werden gemaakt.
Appellant voerde aan dat hij recht had op bijstand volgens de alleenstaande oudernorm met toeslag over de gehele periode en dat bijzondere omstandigheden een hogere bijstand rechtvaardigden. Ook stelde hij schade te hebben geleden door het onrechtmatige besluit. De Raad oordeelde dat de nabetaling correct was vastgesteld naar de feitelijke situatie en dat de bijzondere omstandigheden niet voldoende waren voor een individuele verhoging.
Verder stelde de Raad dat het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige intrekking en de door appellant gestelde schade niet was aangetoond. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het verschil tussen de toegekende bijstand en de hogere norm niet automatisch als schade kon worden beschouwd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.