ECLI:NL:CRVB:2020:394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning loongerelateerde WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als inpakker en meldde zich in januari 2010 ziek. Het UWV verlengde de wachttijd vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen en weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering per 23 januari 2013, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na een ziekmelding in februari 2013 en een aanvraag in december 2014, stelde een verzekeringsarts beperkingen vast op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van juni 2015. Het UWV kende appellant per 26 februari 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 65,18% arbeidsongeschiktheid en per 21 september 2015 een WGA-vervolguitkering met 40,35% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar werd dit aangepast naar respectievelijk 65,32% en 40,59%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de belastbaarheid juist had ingeschat. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen werden onderschat, en bracht aanvullend medisch bewijs in. De Raad benoemde een onafhankelijke revalidatiearts die in november 2019 een gedegen rapport uitbracht waarin de beperkingen en klachten van appellant werden bevestigd en het oordeel van het UWV werd onderschreven.
De Raad volgde de deskundige en oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld. De functies waarop de schattingen zijn gebaseerd zijn medisch geschikt bevonden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering met vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentages wordt bevestigd.