ECLI:NL:CRVB:2020:373
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als medewerkster huishoudelijke dienst en werd wegens Non-Hodgkin Lymfoom behandeld. Na een initiële toekenning van een WIA-uitkering werd haar arbeidsongeschiktheid bij herbeoordeling vastgesteld op minder dan 35%, waarna het UWV haar uitkering beëindigde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij de medische klachten niet voldoende objectief waren onderbouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten niet waren verbeterd en dat medicatie werd gebruikt, maar de Raad concludeerde dat het ging om medicatie voor psychische klachten en niet om pijnmedicatie. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarmee het besluit van het UWV tot beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.