ECLI:NL:CRVB:2020:363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als hoofdleidster en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Ook een Ziektewetuitkering werd geweigerd omdat zij geschikt werd geacht voor bepaalde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medische oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd onderschreven. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar beperkingen en dat er aanvullende informatie ingewonnen had moeten worden bij haar behandelaars.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, dat de verzekeringsarts terecht op eigen oordeel mocht afgaan en dat er geen aanwijzingen zijn voor volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigt dat het UWV terecht de uitkeringen heeft geweigerd en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht de WIA- en Ziektewetuitkering geweigerd.