ECLI:NL:CRVB:2020:360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij voortzetting ziekengeld
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 10 februari 2016 om het ziekengeld per 11 februari 2016 te beëindigen omdat zij meer dan 65% van haar oude loon zou verdienen. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna appellante beroep instelde bij de rechtbank, dat werd afgewezen.
Naar aanleiding van nieuwe medische informatie heeft het UWV op 10 juli 2019 een nieuw besluit genomen waarin het ziekengeld per 11 februari 2016 alsnog wordt voortgezet voor de maximale periode van 104 weken. Dit besluit kwam geheel tegemoet aan de bezwaren van appellante, die ook het griffierecht vergoed kreeg en een nabetaling inclusief wettelijke rente tot 6 augustus 2017 ontving.
Appellante vorderde tevens betaling van uitkering over de periode na 6 augustus 2017, maar het UWV gaf aan dat na afloop van de maximale periode een beoordeling voor een WIA-uitkering loopt, welke niet ter beoordeling stond in dit geding.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het UWV met het besluit van 10 juli 2019 aan de bezwaren tegemoet is gekomen. Het hoger beroep richtte zich immers op het recht op ziekengeld per 11 februari 2016, en niet op een WIA-uitkering.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.