ECLI:NL:CRVB:2020:359

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2020
Publicatiedatum
19 februari 2020
Zaaknummer
18/3150 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, voormalig assemblagemedewerker, vroeg op 31 juli 2016 een WIA-uitkering aan na ziekmelding wegens gewrichtsklachten. Het UWV weigerde de uitkering per besluit van 28 november 2016 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV op 2 maart 2017. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond, omdat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 september 2016 adequaat waren vastgesteld.

In hoger beroep herhaalde appellante dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen en wilde zij haar standpunt met medische gegevens onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante haar standpunt onvoldoende had onderbouwd en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen juist waren vastgesteld en de geselecteerde functies medisch geschikt zijn.

De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

18.3150 WIA

Datum uitspraak:19 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
24 april 2018, 17/1510 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.M. Carabain-Klomp, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als assemblagemedewerker voor 35,60 uur per week. Op 9 oktober 2014 heeft appellante zich met gewrichtsklachten ziek gemeld. Op
31 juli 2016 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 28 november 2016 heeft het Uwv appellante een uitkering op grond van de Wet WIA geweigerd, omdat appellante met ingang van 6 oktober 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Aan dit besluit liggen een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek ten grondslag.
1.2.
Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 november 2016 is bij beslissing op bezwaar van 2 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In wat appellante heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig zou zijn verricht. Verder is de rechtbank van oordeel dat op grond van de beschikbare medische gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen voor appellante niet te geringe beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 september 2016 hebben aangenomen. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat appellante geen objectieve medische gegevens heeft overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen, zonder dat de rechtbank heeft willen afdoen aan de claim en het klachtenpatroon van appellante. Uitgaande van de juistheid van de FML is de rechtbank van oordeel dat de geselecteerde functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belasting.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar gezondheid zo slecht is dat zij de voor de berekening van de mate van haar arbeidsongeschiktheid geselecteerde functies niet kan vervullen. Zij heeft te kennen gegeven nog een poging te ondernemen om haar standpunt met medische gegevens te onderbouwen. Zij wenst dat de Raad haar zaak nogmaals beoordeelt, omdat zij door omstandigheden niet op de zitting van de rechtbank heeft kunnen verschijnen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt dat zij geen benutbare mogelijkheden heeft dan wel dat de verzekeringsartsen voor haar lichamelijke en psychische klachten meer beperkingen hadden moeten aannemen dan de in de FML van 8 september 2016 neergelegde beperkingen, niet met medische gegevens onderbouwd. De rapporten van de verzekeringsartsen geven blijk van een zorgvuldig medisch onderzoek waarin alle beschikbare informatie van appellante is betrokken en een afgewogen opvatting over de beperkingen en arbeidsmogelijkheden van appellante is gevormd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven.
4.2.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante en dat appellante in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.
4.4.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020.
(getekend) M. Greebe
(getekend) E.M. Welling