Uitspraak
17.6858 ZW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als glazenwasser, meldde zich op 10 april 2014 ziek met pijnklachten aan het bewegingsapparaat. Het UWV kende hem ziekengeld toe op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars ZW-beoordeling beëindigde het UWV het recht op ziekengeld per 11 mei 2015, omdat appellant geschikt werd geacht voor andere functies dan zijn oude werk. Na een gewijzigde functieselectie werd het recht op ziekengeld tijdelijk hervat en daarna definitief beëindigd per 27 december 2015, waarbij hij een WW-uitkering ontving. Appellant meldde zich opnieuw ziek op 9 juni 2016 met toegenomen klachten.
Op 27 juli 2016 vond een onderzoek plaats door een verzekeringsarts, die appellant per 1 augustus 2016 geschikt achtte voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Het UWV trok daarop de ZW-uitkering in per 1 augustus 2016. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij meer beperkingen had.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verzekeringsarts een onvolledig beeld had en dat aanvullende medische informatie, waaronder een rapport van Aob Compaz en gegevens van een orthopedisch handchirurg, niet voldoende was meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig en inzichtelijk was uitgevoerd, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de aanvullende rapporten onvoldoende onderbouwing boden voor een ander oordeel. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Ziektewet-uitkering per 1 augustus 2016 wegens geschiktheid voor EZWb-functies.