ECLI:NL:CRVB:2020:3441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aanschaf vaatwasser wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellant, die sinds 2007 bijstand ontvangt en vanwege hersenletsel beperkingen heeft, vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van een vaatwasser. Eerder was een soortgelijke aanvraag al afgewezen omdat de kosten niet noodzakelijk waren en niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden.
De rechtbank Rotterdam wees het beroep van appellant af, stellende dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de aanschaf noodzakelijk was, mede omdat hij huishoudelijke hulp ontvangt en zijn dochter een bijdrage aan het huishouden kan leveren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn dochter de afwas weigert en dat de huishoudelijke hulp niet toekomt aan de afwas, waardoor zijn linkerhand is versleten.
De Raad oordeelt dat de kosten van een vaatwasser niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35 PW Pro. De Raad volgt de rechtbank en wijst erop dat appellant de keuze om huishoudelijke hulp vooral administratieve taken te laten verrichten niet op het college kan afwentelen. De aanvraag wordt daarom terecht afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor de aanschaf van een vaatwasser is terecht afgewezen wegens ontbreken van noodzakelijkheid.