ECLI:NL:CRVB:2020:3436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verplichte AOW-verzekering bij werkzaamheden in Nederland en België
Appellant, woonachtig in België, voerde hoger beroep tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin een korting op zijn AOW-pensioen werd toegepast wegens een niet-verzekerde periode. De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, omdat niet was vastgesteld dat hij daadwerkelijk in Nederland had gewerkt in de periode 2000-2009.
In hoger beroep stelde appellant dat hij in genoemde periode diverse werkzaamheden verrichtte voor Nederlandse vennootschappen, deels vanuit Nederland en deels vanuit België. Hoewel hij geen salaris ontving, vond de Raad het aannemelijk dat hij daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte. De Raad concludeerde dat appellant als migrerend zelfstandige onder Verordening (EG) nr. 1408/71 valt.
De kernvraag was welke nationale wetgeving van toepassing was op appellant. Op grond van artikel 14bis van Vo 1408/71 is bij werkzaamheden in meerdere lidstaten de wetgeving van het woonland van toepassing indien werkzaamheden in dat land gewoonlijk worden verricht. Aangezien appellant zowel in Nederland als in België gewoonlijk werkte, was uitsluitend de Belgische wetgeving van toepassing. Hierdoor was geen verplichte AOW-verzekering in Nederland van toepassing.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbeterde motivering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.