Appellant, voormalig taxateur, meldde zich in 2013 ziek met psychische klachten en ontving vanaf 2015 een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage dat in de loop der tijd werd aangepast. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 55 tot 65% en zette de WGA-vervolguitkering voort. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn diagnose kanaalstenose en de belasting van huishoudelijke werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door de verzekeringsarts en dat de geselecteerde functies medisch passend waren. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts alle relevante medische informatie, inclusief de diagnose kanaalstenose en psychische problematiek, had meegewogen en dat er geen aanleiding was om de beperkingen te herzien.
De Raad benadrukte dat beperkingen vanwege huishoudelijke werkzaamheden buiten beschouwing blijven bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De arbeidsdeskundige had gemotiveerd dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het UWV en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.