Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:34

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2020
Publicatiedatum
9 januari 2020
Zaaknummer
17/2858 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling UWV tot vergoeding proceskosten wegens onjuiste motivering maatmaninkomen in Ziektewetzaak

De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen het UWV inzake de vaststelling van het maatmaninkomen van een werknemer in het kader van de Ziektewet (ZW). Het UWV had aanvankelijk een onjuist maatmaninkomen vastgesteld, wat in de beroepsfase werd gecorrigeerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV, zonder het UWV te veroordelen in de proceskosten.

Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank het UWV had moeten veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten vanwege de onjuiste vaststelling van het maatmaninkomen en het ontbreken van een deugdelijke motivering van het besluit. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestreden besluit niet voldeed aan de motiveringsvereisten van artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover deze het UWV niet in de proceskosten had veroordeeld en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in zowel de beroeps- als de hogerberoepsfase, inclusief het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 9 januari 2020.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante wegens onjuiste motivering van het maatmaninkomen.

Uitspraak

17.2858 ZW

Datum uitspraak: 9 januari 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
25 januari 2017, 16/2929 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Y. van der Linden, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 28 november 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Na een ziekmelding heeft het Uwv een voormalig werknemer van appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Vervolgens heeft het Uwv een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) verricht, op basis waarvan het Uwv bij besluit van 6 juni 2016 heeft vastgesteld dat werknemer met ingang van 7 juli 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij werd geacht meer dan 65% te kunnen verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van werknemer tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij vastgesteld dat de ZW-uitkering per 7 juli 2016 wordt voortgezet.
2.1.
Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld en daarbij, voor zover hier van belang, aangevoerd dat het Uwv bij de EZWb een verkeerd maatmaninkomen als uitgangspunt heeft genomen. Het Uwv heeft vervolgens, onder verwijzing naar een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, erkend dat het maatmaninkomen bij het bestreden besluit onjuist is vastgesteld. Ook wanneer uitgegaan wordt van het juiste maatmaninkomen kon werknemer ten tijde van belang echter minder dan 65% van dat maatmaninkomen verdienen. Het bestreden besluit is daarom gehandhaafd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover hier van belang en samengevat weergegeven heeft de rechtbank daarbij vastgesteld dat nader onderzoek door het Uwv heeft uitgewezen dat het Uwv een onjuist maatmaninkomen aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat, wanneer het juiste maatmaninkomen als uitgangspunt wordt genomen, werknemer met ingang van 7 juli 2016 nog steeds niet meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank heeft hieruit de conclusie getrokken dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de ZW-uitkering van werknemer met ingang van 7 juli 2016 moet worden voortgezet. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank, in de omstandigheid dat het Uwv in beroep het maatmaninkomen van de werknemer heeft aangepast, aanleiding had moeten zien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet ter discussie staat dat het Uwv, naar aanleiding van wat appellante in beroep heeft aangevoerd, in de beroepsfase het maatmaninkomen van de werknemer gewijzigd heeft vastgesteld. Hiermee is gegeven dat het bestreden besluit niet was voorzien van een deugdelijke motivering zoals artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vereist. Appellante heeft terecht in beroep naar voren gebracht dat het Uwv aanvankelijk een onjuist maatmaninkomen heeft gekozen. Het standpunt van appellante dat de rechtbank het Uwv had moeten veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten is daarom juist.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het Uwv veroordelen in de proceskosten voor de in beroep verleende rechtsbijstand, begroot op
€ 1.024,-.
4.3.
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 512,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is nagelaten het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.536,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 835,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en D. Hardonk-Prins en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2020.
(getekend) E.W. Akkerman
De griffier is verhinderd te ondertekenen.