ECLI:NL:CRVB:2020:3389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag ouderdomspensioen wegens ontbreken AOW-verzekering
Appellante, geboren in 1952, vroeg op 23 oktober 2017 een ouderdomspensioen aan, maar deze aanvraag werd op 27 februari 2018 afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat appellante niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en daarom niet verzekerd was op grond van artikel 6 van Pro de AOW. Ook op basis van huwelijksperiodes volgens het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko was zij niet verzekerd.
De echtgenoot van appellante, overleden in 1999, had recht op een ouderdomspensioen met een korting van 96%, maar er zijn geen gegevens over diens verzekeringsperiodes beschikbaar bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Appellante gaf geen nadere informatie over het verblijf of werk van haar echtgenoot na het huwelijk in 1977. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of zij aanspraak kon maken op een ouderdomspensioen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank volledig en voegt toe dat ook digitaal archiefonderzoek en registers geen aanvullende gegevens opleverden. De door appellante ingediende stukken betroffen geen verzekeringsperioden. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De aanvraag ouderdomspensioen van appellante wordt afgewezen wegens ontbreken van AOW-verzekering.