ECLI:NL:CRVB:2020:3376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens vermogen boven vermogensgrens en niet-opeisbare schulden
Appellant ontving een onvolledig ouderdomspensioen en vroeg aanvullende bijstand aan op grond van de Participatiewet. Hij en zijn partner beschikten over twee woningen in Servië met een gezamenlijke waarde boven de vermogensgrens van €12.240,-. Appellant voerde aan dat hij niet over deze woningen kon beschikken vanwege hun slechte staat en eigendomsverhoudingen volgens Servisch recht.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat het vermogen boven de grens lag en hield geen rekening met de opgevoerde schulden, omdat deze niet tijdens de bijstandsperiode opeisbaar waren en geen afdwingbare betalingsverplichting bestond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet kon beschikken over de woningen en dat de schulden meegewogen moesten worden. De Raad oordeelde dat appellant zijn stellingen onvoldoende met verifieerbare stukken onderbouwde en dat de schulden niet voldeden aan de vereisten voor verrekening. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding eveneens.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij het vermogen van appellant en zijn partner leidend was voor de afwijzing van de bijstandsaanvraag.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.