ECLI:NL:CRVB:2020:3368
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-wonen op inschrijvingsadres
Appellant ontving bijstand en stond ingeschreven op een adres waaruit bleek dat hij daar niet daadwerkelijk woonde. Een onderzoek van de gemeente Maastricht toonde aan dat appellant het adres slechts als postadres gebruikte en elders verbleef. De hoofdbewoonster van het inschrijvingsadres verklaarde aanvankelijk dat appellant niet woonde op het adres, maar trok deze verklaring later in. De rechtbank oordeelde dat de oorspronkelijke verklaring, bevestigd door appellant zelf, doorslaggevend was en dat het college de bijstand terecht had ingetrokken wegens schending van de inlichtingenverplichting.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk in de periode vanaf 5 oktober tot 2 november 2017 regelmatig op het inschrijvingsadres verbleef. De Raad volgde dit niet en stelde dat de gewijzigde verklaring van de hoofdbewoonster geen betekenis toekomt, mede omdat de oorspronkelijke verklaring overeenkomt met de verklaring van appellant zelf. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden waar hij feitelijk verbleef, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bleef in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-wonen op het inschrijvingsadres wordt bevestigd.