Uitspraak
19 2865 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als medewerker veilig thuis en meldde zich ziek wegens overgevoeligheid voor geuren. Na beëindiging van zijn dienstverband vroeg hij ziekengeld aan. Het UWV stelde vast dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk en beëindigde het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het bezwaar ongegrond verklaarde vanwege het ontbreken van objectief medisch bewijs voor arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door Meervoudige Chemische Sensitiviteit (MCS) niet kon werken, ondersteund door een expertise van een verzekeringsarts en informatie van zijn huisarts. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat de subjectieve klachten van appellant geen doorslaggevende betekenis hebben en dat er geen eenduidige, consistente en medisch gemotiveerde opvatting bestaat dat appellant arbeidsongeschikt is.
De Raad concludeerde dat de medische rapporten geen aanwijzingen bevatten voor beperkingen die het verrichten van arbeid onmogelijk maken. De diagnose van psychische aard (anticipatieangst en fobie) leidt niet tot een andere beoordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere beslissing bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld bevestigd.