ECLI:NL:CRVB:2020:3313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving een WGA-uitkering die per 6 juli 2017 werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Het Uwv verklaarde het bezwaar van appellant gegrond voor voortzetting van loonaanvulling, maar weigerde een IVA-uitkering omdat geen sprake was van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een concrete onderbouwing gaf van een meer dan geringe kans op herstel binnen het komende jaar, mede door behandeling van slaapapneu en inzet van een PTSS-hond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de motivatie onvoldoende was en verzocht om een onafhankelijk deskundige. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling voldoende was onderbouwd en dat het feit dat de behandeling achteraf niet het verwachte herstel bracht, geen reden is om de oorspronkelijke verwachting aan te passen. De Raad bevestigde dat appellant volledig arbeidsongeschikt is, maar niet duurzaam volgens artikel 4 Wet Pro WIA, en wees het hoger beroep af.
De uitspraak werd gedaan door J. Brand, met V.M. Candelaria als griffier, en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 november 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.