ECLI:NL:CRVB:2020:3312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreden inlichtingenplicht bij WIA-uitkering
Appellant ontving sinds 2011 een WIA-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV legde hem in 2017 een boete op wegens het niet doorgeven van werkzaamheden via een uitzendbureau vanaf december 2016 en een gewijzigde leefsituatie. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat de boete evenredig was.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij de werkzaamheden wel had gemeld, onderbouwd met getuigenverklaringen van zijn moeder en stiefvader. De Raad oordeelde echter dat de overzichten van telefonische klantcontacten van het UWV geen telefoongesprekken met appellant bevatten waarin hij de inkomsten had gemeld. De verklaringen van de getuigen werden als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld.
De Raad concludeerde dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft overtreden en dat het UWV bevoegd was een boete op te leggen. Gezien recidive, het ontbreken van opzet of grove schuld, en het belang van naleving van de inlichtingenplicht, was de boete van €2.426,25 evenredig. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de boete van €2.426,25 wegens overtreden inlichtingenplicht.