ECLI:NL:CRVB:2020:331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij exploitatie horecagelegenheid
Appellant ontving bijstand vanaf december 2014 en huurde vanaf juli 2015 een bedrijfspand met het oog op het exploiteren van een horecagelegenheid. Na een anonieme melding startte de gemeente Utrecht een onderzoek naar zijn woon- en financiële situatie. Uit het onderzoek bleek dat appellant zakelijke activiteiten ontplooide, zoals het huren van een bedrijfspand, het inschakelen van een aannemer en architect, en dat huurbetalingen werden gedaan door zijn compagnon en een derde partij, zonder dat appellant hierover had geïnformeerd.
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand per 1 juli 2015 in en vorderde de kosten terug, daarnaast legde het een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij geen inkomsten had en dat de huurbetalingen door zijn compagnon werden gedaan, en dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden bleef.
De Raad oordeelde dat het niet melden van de zakelijke activiteiten en de financiële verstrengeling een schending van de inlichtingenverplichting vormt. Dit leidde ertoe dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De boete werd als evenredig beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en de boete worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.